Filosofie als schoolvak

Leerlingen die filosofie hebben gekozen zijn enthousiast. Onze tijd vraagt, zoals iedere tijd, om kritische mensen die analytisch, gestructureerd en creatief kunnen denken over belangrijke vraagstukken. Om mensen bovendien die in staat zijn dit denken helder te verwoorden en het in een uitwisseling met anderen te beproeven op consistentie, redelijkheid en vindingrijkheid. Concrete en actuele vraagstukken die betrekking hebben op de handelende, samenlevende, kennende en waarderende mens, zijn abstract gezien vaak ook tijdloos. Bij filosofie leren de leerlingen hun eigen denken, inzet en motivatie te koppelen aan de huidige gemeenschappelijke wereld en deze tegelijkertijd te verbinden aan een rijke (filosofische) traditie.

Als schoolvak kent filosofie de volgende verplichte domeinen:

VWO

HAVO

De eindtermen uit deze domeinen kunt u vinden op de website van het ministerie van Onderwijs. Daarnaast wordt er uit deze domeinen door het Ministerie van O,C&W om de 3 of 4 jaar een nieuw eindexamenonderwerp ontwikkeld en vastgesteld. Voor het vwo waren dat onder andere Eros bij Plato, Individualisme en moraal in de hedendaagse samenleving, demarcatie in de wetenschap, deugdethiek en Rede en Religie. De Havo had onder andere Macht, Mens en Machine en Utopie als eindexamenonderwerp.

Het soort vraagstukken die in alle domeinen aan bod komen, zijn filosofisch en tijdloos: Wat is de mens? Hoe moeten we leven en wat voor een soort samenleving is wenselijk? Wat kunnen we kennen? Tegelijkertijd worden deze tijdloze vraagstukken in de onderwijspraktijk ook steeds gekoppeld aan actuele vraagstukken: Is de mens vrij en verantwoordelijk of wordt hij gedetermineerd door natuurwetten? Wat vermag het denken, naast het voelen en het handelen? Zijn wij onze hersenen? Zijn we van nature egoïstisch of zijn we sociale dieren? Zijn wij gelijk? Wat is een goed leven? Kan de macht van de overheid gerechtvaardigd worden? Kunnen de wetenschappen alles verklaren? Wat is de verhouding tussen rede en religie?

Dergelijke vragen verhouden zich op vele manieren met het dagelijks leven van de leerling (bijv. wat is vriendschap?) en zijn voor de leerling een uitdaging om het eigen denken, voelen en handelen in te zetten.

Het filosofieonderwijs is in eerste instantie thematisch, aansluitend op de actualiteit, maar daarnaast ook historisch. De geschiedenis kent immers ook talrijke relevante grote denkers, ideeën en theorieën, die de leerlingen moeten kennen en kunnen toepassen. Ons eigen denken is mede tot stand gekomen door wat anderen voor ons gedacht hebben en kennis daarvan is onontbeerlijk voor begrip van onszelf. Andersom is het voor onszelf belangrijk in te zien dat de geschiedenis vele zeer serieus te nemen antwoorden heeft opgeleverd.

Naast het vermogen het gedachtegoed uit onze rijke traditie toe te passen en daar op te reflecteren, is het filosofieonderwijs vooral gericht op het ontwikkelen van het zelfstandig denken van de leerlingen. Dit wordt onder andere betracht in het onderwijs leergesprek en het socratisch gesprek als werkvormen. In deze werkvormen worden leerlingen uitgedaagd om met elkaar in een gestructureerde vorm van gedachten te wisselen en argumentaties te onderzoeken. Daarbij gaat het niet om het uitwisselen van meningen, maar om samen tot inzicht te komen in waar het afhankelijk van de gestelde vraag in het gesprek om gaat. Uitgangspunt is het vermogen van een ieder om redelijk te kunnen denken en dit ook bij elkaar te herkennen. Zodoende heeft de activiteit van het samen filosoferen ook een morele dimensie; het principe van gelijkwaardigheid en wederzijds begrip krijgt daadwerkelijk een vorm en wordt een noodzakelijke voorwaarde.

Inhoudelijke onderdelen van het vak filosofie kunnen een ondersteuning bieden aan alle profielen (bijv. ethiek bij N&G, sociale en politieke filosofie bij E&M, wetenschapsfilosofie bij N&T en antropologie en esthetica bij C&M) en aan verschillende vakken, zoals ANW, CKV, natuurkunde, klassieke talen en Nederlands. Denkvaardigheden die ontwikkeld worden, zijn inzetbaar voor allerlei onderwijsactiviteiten. Zo vergroten oefeningen in de retorica de welsprekendheid in het algemeen.

 

Geschiedenis van het vak filosofie in het voortgezet onderwijs 1

Pioniersfase: 1973-1990

In 1970 stuurde filosofiestudent Cor Schavemaker een enquête naar rectoren van scholen met voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) met de vraag wat zij zouden vinden van invoering van filosofie in het voortgezet onderwijs. Toen de reacties daarop enthousiast bleken, richtte hij de vereniging voor filosofie onderwijs op (VFO). Deze vereniging kreeg voor elkaar dat in 1973 werd gestart met een experiment met filosofie op vwo. Scholen konden bij het ministerie van onderwijs een verzoek indienen om het vak aan te mogen bieden. Als motivering voor het experiment werd gegeven dat met het schoolvak filosofie het kritische denken, redelijke argumenteren en het expliciteren van vooronderstellingen zou worden bevorderd. Daarnaast zouden leerlingen met behulp van filosofie vakoverstijgend leren denken en een beter inzicht krijgen in maatschappelijke verhoudingen. Het democratisch staatsbestel, gebaseerd op mondige, kritische en zelfstandig denkende burgers, zou zeer gebaat zijn bij het bevorderen van deze bij uitstek filosofische vaardigheden.

Het eerste examen filosofie werd afgenomen op het Stedelijk Gymnasium te Leeuwarden in 1974. Het centrale examen bestond uit een tekst van hoogleraar filosofie H.J. Pos over de positie van de filosofie ten opzichte van de wetenschappen.2 Dertien kandidaten namen aan het examen deel. In Trouw en de Volkskrant verschenen interviews met leerlingen en hun docent A.C. Pieron. Tot 1990 werd het experiment uitgebreid tot in totaal twaalf scholen.3 Het nieuwe schoolvak filosofie werd aangeboden in de bovenbouw van het vwo en sloot wat opzet en examinering betreft aan bij de andere schoolvakken. De leerlingen moesten voldoen aan de eisen van een schoolonderzoek en centraal examen. Behalve kennis en inzicht van filosofische probleemstellingen, moesten ze ook in staat zijn om diverse filosofische vaardigheden te praktiseren, zoals het herkennen van argumenten bij diverse filosofische posities, het opzetten van eigen argumentaties en het bedenken van criteria om standpunten te beoordelen.

Uit evaluaties van het experiment bleek dat filosofie bij de leerlingen goed was aangeslagen en als een zinvol en bruikbaar vak werd gezien.4 Ook schoolleidingen en oudergeledingen waren positief over de effecten van filosofieonderwijs. Vandaar dat minister Ritzen in 1990 besloot om na 17 jaar 'good practice' het experiment met filosofie te reguleren. Bij Koninklijk besluit5 werd het voor iedere school mogelijk om filosofie als facultatief eindexamenvak aan te bieden op vwo-niveau. Daarnaast werd filosofie een vwo-staatsexamen vak.

 

Bescheiden groei van het vak: 1991-1998

Dankzij de mogelijkheden die de regulering bood, steeg het aantal scholen dat filosofie aanbood van 12 in 1990 tot 42 in 1998. Op verschillende niveaus is er in deze periode steeds meer overeenstemming gekomen over de inhoud van het vak. Van belang daarbij was de inbreng van de door de minister ingestelde Begeleidingscommissie filosofie in het voortgezet onderwijs (Bcfvo).6 Deze commissie werd verantwoordelijk voor drie taken: het bedenken en uitwerken van examenthema's, het geven van voorlichting over het vak en het gevraagd en ongevraagd adviseren van de minister over het vak filosofie. Een eerste aanzet voor een standaardisering van het onderwijs in filosofie was het rapport 'Deelkwalificaties filosofie' uit 1990 7 Een tweede aanzet betekende het leerplan dat in samenwerking met de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) tot stand kwam na diverse veldraadplegingen van docenten.8 Op basis van dit leerplan heeft de begeleidingscommissie het examenprogramma vastgesteld. 9De beslissende stoot tot bloei van het vak werd echter gegeven door de invoering van de Tweede Fase in het voortgezet onderwijs. De Tweede Kamer besloot in te stemmen met de opname van filosofie in de nieuwe structuur op 28 mei 1997, op een middag nadat ze eerst door de Amerikaanse president Bill Clinton was toegesproken en kennelijk op een goed spoor was gezet.10

 

Consolidatie en bloei: 1998 en daarna

De Tweede Fase is een vervolg op de jaren daarvoor ingevoerde basisvorming in de eerste drie leerjaren van het voortgezet onderwijs. De basisvorming ging uit van het oude idee van de middenschool dat alle leerlingen in de eerste drie leerjaren dezelfde vakken zouden krijgen. Pas daarna zou er gedifferentieerd worden naar schooltype in de bovenbouw. Op havo (hoger algemeen voortgezet onderwijs) en vwo werd de Tweede Fase in 1998 ingevoerd vanaf het vierde leerjaar. Het programma bestaat uit een algemeen deel, een profieldeel en een vrij deel. Wat de profielen betreft konden leerlingen kiezen uit twee maatschappijprofielen (economie & maatschappij en cultuur & maatschappij) en twee natuurprofielen (natuur & techniek en natuur & gezondheid).Via de profielen kunnen leerlingen een duidelijk accent leggen in hun opleiding terwijl de algemene kennis niet wordt verwaarloosd door de aanwezigheid van de algemeen verplichte vakken. In de vrije ruimte kan de leerling zelfstandig een vak (of vakken) kiezen naar eigen voorkeur. De bedoeling van de Tweede Fase is om leerlingen beter voor te bereiden op een complexer wordende, snel veranderende en geïnformatiseerde samenleving. Daarnaast moest de veranderde opzet ervoor zorgen dat de leerling beter was voorbereid op het tertiair onderwijs. Of realistischer gezegd: de hoge uitval van studenten in de eerste studiejaren zou hiermee verminderd worden. Behalve kennis opdoen, moest de leerling zicht krijgen op het eigen leerproces en leren hoe hij moest leren. Daarnaast moest er aandacht worden besteed aan de toepassing van deze kennis. In het Studiehuis moest de nieuwe, op het constructivisme teruggaande, manier van leren gestalte krijgen. Binnen het constructivisme wordt er vanuit gegaan dat nieuwe kennis en informatie door iedere leerling op zijn eigen manier actief wordt ingepast in de persoonlijke denk en gevoelswereld in samenhang met de aanwezige voorkennis, vaardigheden en verwachtingen.11

Mede dankzij een uitgekiende politieke lobby onder leiding van VFVO voorzitter Huib Schwab12 heeft het schoolvak filosofie een vaste plaats gekregen in het curriculum in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Niet alleen op vwo, maar vanaf dat moment ook op havo. Op havo kreeg filosofie een plaats in de vrije ruimte met een studielast van 360 uur13 en op vwo behalve een plaats in de vrije ruimte, ook een plaats als keuzevak in het profiel Cultuur en maatschappij. De studielast bedraagt op vwo 320 uur14. Tussen 1998 en 2007 is het aantal scholen met filosofie spectaculair gegroeid, zoals blijkt uit onderstaand overzicht.15

Tabel 1: groei aantal scholen met Filosofie
Examenjaar VWO-Scholen VWO-Kandidaten HAVO-Scholen HAVO-Kandidaten
2007 185 2861 57 801
2002 135 1873 23 276
2002 69 640 6 52
1998 42 588 - -
1995 21 347 - -
1990 12 300 - -
1985 12 284 - -
1974 1 13 - -

 

In mei 2007 is er dus op 158 vwo-scholen centraal examen gedaan in filosofie (circa 30 % van het aantal scholen), terwijl op havo-niveau er op 57 scholen centraal examen is gedaan (circa 11% van het aantal scholen). Het aantal betrokken leerlingen daarbij was 2861 voor vwo en 801 voor havo. Maar in deze cijfers zijn nog niet de scholen verwerkt die afgelopen jaar met filosofie zijn begonnen. Met de leerlingen van deze scholen en de leerlingen van de niet-examenklassen meegerekend, volgen er naar schatting op dit moment zo'n 9.000 leerlingen onderwijs in filosofie in de bovenbouw van havo en vwo. De verwachting is dat dit aantal de komende jaren fors zal toenemen, vooral op havo.16 Naast onderwijs in filosofie in de bovenbouw, is er ook een aantal scholen dat filosofie aanbiedt in de onderbouw. Tevens zijn er succesvolle experimenten gaande in het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo).17

1 Bron: Tijdschrift voor Filosofie, 69e jaargang, nummer 4, december 2007 (p. 783-809; pp. 784-787)

2 Uit "Verspreide geschriften, deel 2. Het dal der na-oorlogse filosofie".

3 Andere scholen van het eerste uur: het Praedinius Gymnasium te Groningen, het Montessori Lyceum te Amsterdam en Oude Hoven te Gorinchem.

4 Zie ook het naderhand verschenen rapport �Filosofie op school. Een onderzoek naar de mening van oud-leerlingen van het Montessori Lyceum Amsterdam.� Amsterdam, maart 1991, door Marie-Louise van Haeren en Hester Steinberg m.m.v. Instituut voor de Lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam en het Montessori Lyceum Amsterdam.

5 Koninklijk Besluit van 20 december 1990. Gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1991, nummer 38.

6 Instellingsbesluit AVO/528890 van 26 maart 1973.

7 �Rapport deelkwalificaties filosofie.� 1989. Auteurs: J.P. Kessels en J.A. Wessels.

8 �Leerplan Filosofie�, Enschede 1993, SLO.

9 �Examenprogramma filosofie vwo�, Begeleidingscommissie filosofie, Utrecht, juni 1994

10 Clinton was in Nederland op bezoek ter gelegenheid van de herdenking van de Marshallhulp die 50 jaar daarvoor was gestart. Zoals Hegel in 1806 tot een dieper inzicht kwam in de loop van de geschiedenis toen hij Napoleon met zijn �Grande Armee� door de straten van Jena had zien marcheren, kwam de Tweede Kamer na het zien van Clinton kennelijk ook tot een dieper inzicht.

11 Voor een theoretische onderbouwing van de leerling / lerende als constructeur van het eigen leerproces, zie �The Content of Science. A Constructivist Approach to its Teaching and Learning.�, P. Fensham, R. Gunstone, R. White (Ed.), London, 1994.

12 De VFVO was aanvankelijk een aparte sectie binnen de VFO. Sinds 28 december 1998 is de VFVO zelfstandig en behartigt de vereniging alle zaken met betrekking tot filosofie in het voortgezet onderwijs. Huib Schwab was tot 2005 voorzitter van de VFVO en docent filosofie op het Montessori Lyceum te Amsterdam.

13 Dit komt � afhankelijk van het schoolbeleid - neer op 3 lessen van 50 minuten per week in havo 4 en 5.

14 Dit komt � afhankelijk van het schoolbeleid � neer op 2 � 3 lessen van 50 minuten per week in vwo 5 en 3 lessen van 50 minuten per week in vwo 6.

15 Het zou de moeite waard zijn om te onderzoeken of er een oorzakelijk of correlatief verband is tussen de stijging van het aantal leerlingen met filosofie in het vwo en het stijgend aantal studenten wijsbegeerte op de faculteiten voor wijsbegeerte in Nederland.

16 Zie de laatste paragraaf van dit artikel.

17 Zie �Filosofie in het VMBO. Een experiment�. Een project in het kader van het project �De initiatiefrijke school�, Montessori Scholengemeenschap Amsterdam, 2002-2003. SLO, 2004. Ph. Boekstal en J. Hogenbirk.


 
copyright © 2010 Vereniging Filosofiedocenten in het Voortgezet Onderwijs. Alle rechten voorbehouden.